
Wie is God – aflevering twee
Citaat van de week:
“Zo ontstaat uit de liefde, die gelijk is aan de Vader en eigenlijk de Vader Zelf is, het licht van de goddelijke wijsheid, hetgeen gelijk is aan de Zoon, ofwel de eigenlijke Zoon Zelf is, die echter niet uit twee bestaat, maar volledig Een is met diegene, die Vader heet.” — GJE1 3
—
1. Waarom woorden niet genoeg zijn
In de vorige aflevering zagen we dat onder God als Vader wordt verstaan: de onzichtbare bron van liefde die God is. Hij kan Zichzelf in die hoedanigheid helaas niet direct aan ons kenbaar maken. Zijn liefde-levenskracht is te intens om Zich rechtstreeks met ons te verbinden – het zou ons vernietigen. Daarom maakt Hij Zich vanaf het begin al kenbaar door woorden. (joh.1:1)
Maar ook in Zijn woorden wordt Hij, Zijn levenskracht van liefde, zelden of niet herkend. In veel Bijbelse verhalen is niet direct herkenbaar dat God liefde is. De verhalen roepen juist veel tegenstrijdigheid op; ze lijken daardoor niet echt wijs te zijn. Dus om in die woorden Zijn liefde en wijsheid te herkennen – dat is nog niet zo eenvoudig.
Vergelijk het met veel over iemand te hebben gehoord, maar hem nooit te hebben gezien. Als je die persoon dan zou ontmoeten, herken je hem niet, ondanks dat je veel van hem weet. Het is nodig dat je hem eerst goed ziet en weet dat Hij het is, om hem te kunnen herkennen.
Zo is het ook met God. Als je niet eerst goed en helder ziet dat Hij liefde is, dan herken je Hem in Zijn woorden ook niet. Dan lijken de Bijbelse verhalen sprookjes, fabels, verzinsels. En met iemand die je niet herkent, kun je geen relatie hebben. De relatie met God, de verbinding met Hem, is nu juist essentieel om in jouw innerlijk Zijn leven te kunnen ontwikkelen. Dus het is nogal belangrijk dat Hij te herkennen is.
2. De oplossing: God wordt mens
De oplossing is even simpel als haast ondenkbaar. Hij zal Zelf in het menselijke moeten komen om voor ons zichtbaar te zijn. Hij, de goddelijke liefde-levenskracht, zal een mens zoals jij en ik moeten worden.
Hij zegt daarover: “Ik, de oneindige, eeuwige God, hulde het voornaamste centrum van Mijn goddelijke wezen in het vlees, om Mij aan jullie, Mijn kinderen, als zichtbare en tastbare Vader te presenteren.” — GJE6 255
Maar hoe kan dat? Zijn hoedanigheid van liefde is te intens om Zich met het menselijke te verbinden, dat ontdekten we in de vorige aflevering. De oorzaak daarvan is dat wij als mens ons allemaal laten verleiden door eigenliefde en eigenwaan. Die beide zijn de meest schrille tegenstelling van de liefde. Daar kan de Vader, het machtige vuur van liefde, Zich onmogelijk mee verbinden.
Als Hij desondanks in het menselijke wil komen, dan zal Hij Zichzelf een menselijke ziel en lichaam moeten vormen die Hij rein zal moeten houden, waarin Hij Zelf de strijd aangaat met de verleiding van zelfzucht en hoogmoed. Want gaat Hij die strijd niet aan, en geeft Hij toe aan de zwakheden van het menselijke vlees, dan wordt dat menselijke dat Hij heeft betrokken net zo onverenigbaar met Zijn liefde als dat wij dat zijn. Alleen door Zelf niet aan die verleiding toe te geven, zal Hij Zich met dat menselijke kunnen verenigen.
Hij zegt: “Ik, de Allerheiligste, moest Mij met de onheiligheid van de zwakheid van de mensen bekleden, om als een sterke held de hel te kunnen naderen en te overwinnen.” — GJE
Hij zegt hier dat Hij in het menselijke kwam om de hel te overwinnen. Dat is nu precies wat eigenliefde en eigenwaan zijn: hels. Dat is dus wat Hij kwam om te overwinnen – het helse van zelfzucht en hoogmoed.
3. De strijd van de menselijke ziel
Jezus was volledig mens, net als jij en ik. Hij had een menselijke ziel. Hij had een menselijk lichaam. En dat lichaam had, net als het jouwe en het mijne, zijn eigen driften, verlangens en neigingen.
Daarover zegt Hij: “Het lichaam is het huis van de ziel en de geest in haar is door God daaraan toegevoegd opdat die de ziel onderwijst en wekt in alles wat geestelijk is, en het haar ook mogelijk maakt ermee in contact te treden.” — GJE10 172
Deze beschrijving geldt voor ieder mens. Ook voor Jezus. Zijn lichaam was het huis van Zijn ziel. En uit dat lichaam borrelden dezelfde krachten op die bij ons telkens weer tot liefdeloos gedrag leiden.
Wat maakte Hem dan anders?
Allereerst woonde in Hem niet slechts een vonk van Zijn geest, zoals bij ons, maar de kern van Zijn goddelijke Zelf. Daarnaast voelde Hij net als wij alle mogelijke verleidingen, maar, en dat is belangrijk, uit liefde gaf Hij er niet aan toe. Het was dus niet dat Hij geen verleiding voelde. Het tegendeel is waar. Hij voelde dezelfde verleidingen en dat in een veel sterkere mate dan wij ons kunnen voorstellen. Dat was ook nodig opdat Zijn ziel krachtig genoeg zou zijn om zich met de Vader, Zijn goddelijke liefde-levenskracht, te kunnen verenigen.
Het verschil met ons is dat Hij er niet aan toegaf.
Waar wij keer op keer bezwijken, hield Hij stand. Waar wij toegeven aan de opborrelende drang tot eigenliefde, weerstond Hij. Waar wij onszelf rechtvaardigen, bleef Hij nederig. Dat is het wonder. Niet dat Hij geen strijd kende, maar dat Hij nooit capituleerde.
4. De eenheid van Vader en Zoon
Omdat de ziel van Jezus volkomen rein bleef, kon de Vader – Zijn liefde-levenskracht – Zich met Zijn ziel verenigen.
Daarom kon Hij zeggen: “Ik en de Vader zijn één. Wie Mij ziet en hoort, ziet en hoort ook de Vader; zonder Mij kan echter niemand de Vader zien of horen.” — GJE10 72
De liefdekracht van de Vader verenigde Zich met Zijn menselijke ziel. En dat kon omdat Zijn ziel door eigen, volhardende keuze – om in alles consequent de liefde na te volgen – rein bleef.
De wil van de menselijke ziel van Jezus bleef van jongs af aan volledig toegewijd aan de wil van de in Hem wonende liefdekracht, de Vader. Daarvoor was uiterste nederigheid en zelfverloochening nodig. Dat is nogal wat als je beseft dat Jezus Zich volkomen bewust was van Zijn goddelijke innerlijk. Alleen dankzij deze volkomen en ononderbroken toewijding aan de in Hem wonende liefde lukte het Zijn ziel om zich vrij te houden van verontreiniging met eigenliefde en hoogmoed.
5. Het beeld van de rivier
We hadden het in de vorige aflevering over de onzichtbare bron als beeld van de Vader. De bron wordt zichtbaar als ze uit de aarde opwelt. Het water komt omhoog en vormt een rivier. De rivier is de zichtbare gestalte van de bron. Je kunt hem zien, je kunt hem aanraken, je kunt eruit drinken.
De onzichtbare levenskracht, God als Vader, wil Zichzelf laten zien. Daarom heeft Hij een gestalte aangenomen. Die gestalte is het Woord, de Goddelijke Wijsheid. En die Wijsheid kreeg een menselijk gezicht in Jezus van Nazareth.
Of in Zijn eigen woorden gezegd: “Het woord werd vlees en woonde onder ons, en wij zagen Zijn heerlijkheid, een heerlijkheid als van de eniggeboren zoon van de Vader.” — GJE1 14
6. Waarom dit ons hoop geeft
Jezus is dus God Zelf in het menselijke. Hij heeft het helse drijven van eigenliefde en eigenwaan in het menselijke overwonnen.
Aldus is Hij een voorbeeld voor ons geworden.
Er staat: “Hij werd Zelf mens om voor de mensen een goed voorbeeld te zijn.” — BM 111
Daarbij is in Hem het goddelijke en menselijke verenigd, waardoor God Zich nu met ons kan verbinden.
Daarover staat er: “Alleen in Jezus wordt het onpersoonlijke persoonlijk, en de vereniging van deze twee in de menselijke vorm maakt het naderen mogelijk van het schepsel tot de Schepper.” — GJE11 72
Dat verbinden is van een niet te overschatten groot belang. Als wij niet verbonden zijn met Hem – innerlijk in willen en denken met Hem verbonden – dan zijn we uitsluitend aan onszelf overgeleverd. En kijk eens naar de wereld hoe dat tot nu toe gaat: ongebreidelde zelfzucht en een hoogmoed die voor wijsheid door moet gaan, regeren in de harten van de mensen. Daar zouden we onmogelijk ooit vanaf komen.
Pas door met Hem verbonden te zijn kan Hij, dankzij Zijn verbinding met ons innerlijk, een verandering in het menselijk willen en denken tot stand brengen. Zie daar de reden dat Hij Zich met het menselijke moest verenigen. Dat geeft Hem de mogelijkheid om Zich met ons te verbinden. Het machtige vuur van Zijn wezen kan dankzij Zijn vereniging met het menselijke in Jezus met ons worden verbonden zonder dat het ons te veel wordt.
Wie daarom God wil benaderen zonder Hem in Jezus te erkennen, zal Hem onmogelijk vinden. Want in Jezus, en uitsluitend in Jezus, komt Hij tot de mensen.
Er staat: “Toen nu de mens Jezus de personificatie van God werd, was het ervaren van de Godheid heel anders: eenvoudig het naderen van de ene mens tot de andere.” — GJE11 72
7. Waartoe dit zo is
Dit alles is zo opdat er een brug zou zijn over de eindeloze kloof tussen de heiligheid van God en onze zondigheid. God werd mens, niet alleen om een voorbeeld te stellen, maar om Zelf de weg te banen. Daardoor kan Hij nu in ons wonen als wij, middels de erkenning van de waarheid ervan, Zijn Woord, in ons willen opnemen.
Hij zegt: “Wie daarom Mijn woord hoort, het aanvaardt en ernaar leeft, die heeft Mij Zelf in zich opgenomen. Wie echter Mij opneemt, die neemt ook Hem op, die Mij in de wereld heeft gezonden, maar toch geheel Eén met Mij is.” — GJE2 32
En nemen wij Zijn Woord, dus HemZelf, in ons op, dan nemen we de werking van Zijn machtige liefde in ons op.
Voor deze week: Kijk naar Jezus
Kies deze week één moment waarop je bewust naar Jezus kijkt. Niet als een verre figuur uit een boek, maar als de menselijke gestalte van Gods liefde. Je kunt een kort verhaal uit de evangeliën lezen – hoe Hij reageerde op een zieke, op een vijand, op een vriend. En vraag je dan af: wat zie ik hier van de Vader? Wat zie ik hier van ware liefde?
Je hoeft er niets mee te doen. Je hoeft er geen conclusie aan te verbinden. Kijk alleen. Want wie je niet herkent, kun je niet volgen. En wie je niet ziet, kun je niet liefhebben.
—
Wat de werking van Zijn machtige liefde in ons te weeg brengt zien we in de volgende aflevering die zal gaan over ‘God in de hoedanigheid van Heilige Geest’.
Vraag aan jou:
Herken je bij jezelf ook de strijd tussen liefde en eigenliefde? Begrijp je daardoor beter waarom het belangrijk was dat Hij standhield?
Geef een reactie